16 februari 2017 in Actueel

Berechting afwezige terrorismeverdachten in strijd met recht op een eerlijk proces

Het openbaar ministerie heeft aangekondigd dat in maart en april 2017 twaalf verdachten voor de rechtbank zullen worden vervolgd voor terrorisme. Bijzonder daaraan zal zijn, dat de verdachten in die strafzaken niet voor de rechtbank zullen verschijnen; zij verblijven volgens het openbaar ministerie namelijk in een strijdgebied, zoals Syrië. In die zaken zal het openbaar ministerie de rechtbank vragen de afwezige verdachten te veroordelen tot gevangenisstraffen.

Het is de taak van het openbaar ministerie om een verdachte door middel van een dagvaarding op de hoogte te brengen van een geplande rechtszaak tegen hem, zodat die verdachte contact kan opnemen met een advocaat, het strafdossier kan bestuderen en op de zitting aanwezig kan zijn. Door zijn aanwezigheid op de zitting kan de verdachte reageren op de beschuldigingen, de betrouwbaarheid van belastend bewijs toetsen en ontlastend bewijs inbrengen. Het zal echter niet mogelijk zijn om dagvaardingen uit te reiken aan mensen die zich in het strijdgebied bevinden.

Het voornemen van het openbaar ministerie is dan ook in flagrante strijd met het ‘aanwezigheidsrecht; elke verdachte heeft namelijk het recht om bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn. Elke verdachte, dus ook een verdachte van terrorisme. Dat aanwezigheidsrecht ligt besloten in art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en is een van de belangrijkste rechten van de verdachte. Nota bene eergisteren heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Nederland veroordeeld vanwege een schending van art. 6 EVRM, omdat een verdachte niet bij zijn zitting aanwezig was en wel werd veroordeeld. Dat die verdachte afwezig was omdat hij als gevolg van zijn eigen handelen gedetineerd zat in Noorwegen, was volgens het Europese Hof niet relevant.

De landelijk terrorismeofficier van justitie Van Veghel lichtte gisteren in Nieuwsuur toe dat een van de redenen om verdachten in hun afwezigheid te gaan berechten is, dat er een risico uitgaat van de mensen die terugkomen uit het strijdgebied. Door die mensen in hun afwezigheid te berechten zijn ze al veroordeeld als ze terugkomen naar Nederland en ‘dan kunnen ze meteen naar de gevangenis’. En dus geen aanslagen plegen, zo begrijp ik Van Veghel.

Van Veghel verliest daarbij uit het oog dat als er voldoende bewijs is om een verdachte door een rechtbank te laten veroordelen tot een gevangenisstraf, er zeker genoeg bewijs zal zijn om die verdachte meteen na terugkomst in Nederland te arresteren en gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis te houden. Die teruggekeerde verdachte gaat ook dan ‘meteen naar de gevangenis’ en kan dan evenmin een aanslag plegen. Juist bij verdenking van strafbare feiten met een terroristisch oogmerk ken de wet sinds 2007 veel lagere eisen voor de inzet van opsporingsmiddelen en voor het eerste bevel tot voorlopige hechtenis dan bij niet-terroristische strafbare feiten.

Het is de taak van de rechtbank om te beslissen of de zitting kan doorgaan als de verdachte geen dagvaarding heeft ontvangen, vrijwel zeker niet eens weet dat er een strafzaak tegen hem plaatsvindt, en dus waarschijnlijk ook niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 2004 volgt dat ook als het nog een paar jaar duurt voordat een verdachte uit het buitenland zal zijn teruggekeerd naar Nederland, diens strafzaak niet in zijn afwezigheid mag worden gevoerd.

Als de rechtbank in deze twaalf zaken oordeelt dat de afwezige verdachten wel aanwezig moeten zijn bij hun strafzaak, dan zal de zitting worden aangehouden en pas worden voortgezet als de verdachte is teruggekeerd in Nederland. Mocht de rechtbank besluiten dat de strafzaak wel zonder de verdachte kan worden behandeld, dan kan de verdachte bij verstek worden veroordeeld; zonder advocaat en zonder dat hij heeft kunnen reageren op de beschuldigingen. Na terugkomst in Nederland kan die verdachte dan hoger beroep instellen en het gerechtshof de zaak opnieuw laten bekijken. Hij is dan echter wel een instantie, namelijk de rechtbank, kwijtgeraakt waar hij zich ook had kunnen verweren. En in een land waar een verdachte recht heeft op behandeling van zijn strafzaak in twee instanties, wordt ook dan gehandeld in strijd met art. 6 EVRM.

Het openbaar ministerie zou er goed aan doen om alsnog van dit voornemen af te zien. Het is onnodig en verliest uit het oog dat ook terrorismeverdachten recht hebben op een eerlijk proces.

Namens het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten

Jeroen Soeteman
Voorzitter